Nieuw dieptepunt op dossier rechtsbijstand: minder inkomen, minder recht

De overheid lijkt het waarborgen van de toegang tot het recht niet meer als haar taak te zien. De minister lijkt daarmee te kiezen voor een kille sanering ten koste van de rechtzoekenden met een kleine beurs. Zij moeten hun recht halen via een ‘rechtshulppakket’ en een poortwachter gaat bepalen wie zijn probleem nog aan de rechter mag voorleggen. De toegang tot de rechter wordt daardoor beperkt én duurder voor rechtzoekenden.

Het kabinet blijft worstelen met de vraag hoe uitvoering te geven aan de belangrijke taak van de overheid om toegang tot de rechter voor elke burger te waarborgen. De plannen van minister Dekker laten zich eenvoudig samenvatten: mensen met minder inkomen hebben minder recht nodig.

In zijn brief benadrukt de minister het belang van toegang tot het recht in een rechtsstaat en spreekt zelfs de ambitie uit die rechtsstaat verder te willen versterken. De nasmaak is echter een bittere. AR-lid Bernard de Leest: “De minister voor rechtsbescherming ziet rechtsbescherming niet meer als primaire taak van de overheid. Door rechtsbescherming te privatiseren moet de burger het blijkbaar zelf maar uitzoeken. Het feit dat meer dan 60% van alle gefinancierde rechtszaken tegen de overheid zelf wordt gevoerd, maakt deze stap onbegrijpelijk, helemaal nu de minister deze plannen ziet als een versterking van de rechtsstaat.”

Volgens de minister piept en kraakt het bestaande stelsel en moet het drastisch op de schop. Meerdere onderzoeken tonen echter aan dat het huidige stelsel op hoofdlijnen prima voldoet. Een stelselwijziging is niet nodig. Voorstellen voor laagdrempelige oplossingen van problemen lopen al, denk aan het Nationaal Programma Rotterdam Zuid. Ook de kosten van de gefinancierde rechtsbijstand vertonen de laatste jaren juist een dalende lijn: in 2017 7% minder dan 2016, en nog eens 3% minder in de eerste helft van 2018.

De kabinetscommissie Van der Meer concludeerde dat er vooral sprake is van achterstallig onderhoud. Er is jarenlang onvoldoende rekening gehouden met de toegenomen complexiteit binnen de samenleving en de steeds weer veranderende regelgeving waarmee burgers te maken hebben. Ook de vergoeding voor sociaal advocaten is tot een onaanvaardbaar minimum gedaald. Het wegwerken van dit achterstallige onderhoud vergt een investering van 127 miljoen euro.

Voorstellen van de advocatuur om het huidige stelsel te versterken, zoals de betrokkenheid van advocaten bij het Juridisch Loket ter versterking van de eerste lijn, zijn niet in de brief van de minister terug te vinden. Onafhankelijke rechtshulp wordt dus ook in een vroeg stadium van een juridisch probleem uitgerangeerd.

De NOvA roept het kabinet op zelf de overheidstaak serieus te nemen in plaats van die taak over te laten aan de markt van onder meer verzekeraars. Bernard de Leest: “Deze plannen zijn een minister voor rechtsbescherming onwaardig.”

Bron: Advocatenorde, 9 november 2018