Rijk, arm en alles ertussen: wat betekent koopkracht voor jou?

nosIeder jaar rond Prinsjesdag gaat het opeens weer over de koopkrachtplaatjes. En dat is dit jaar niet anders. Uit cijfers van het Centraal Planbureau bleek eerder dat gepensioneerden er bij ongewijzigd beleid volgend jaar in koopkracht op achteruit zouden gaan.

Maar het kabinet heeft plannen om die achteruitgang te repareren. Wat is koopkracht eigenlijk en is het de enige manier om te bekijken hoe rijk of arm jongeren en ouderen zijn? We zetten een aantal dingen op een rij.

Koopkracht en inkomen

De koopkrachtontwikkeling laat zien hoeveel iemand er qua inkomen op vooruit of achteruit gaat, gecorrigeerd voor inflatie en voor kosten waar je automatisch geld aan kwijt bent, zoals je zorgverzekering.  Het gaat dus om de ontwikkeling van je vrij besteedbare inkomen.

De afgelopen jaren is de koopkracht van 65-plussers meer gedaald dan van andere groepen. “De koopkrachtontwikkeling van senioren is altijd al gematigder dan die van andere leeftijdsgroepen”, zegt hoofdeconoom Peter Hein van Mulligen van het Centraal Bureau voor de Statistiek. “Na je pensioen gaat je inkomen niet meer omhoog. Terwijl werkenden gedurende hun carrière meer gaan verdienen. Als je jong bent, maak je vaak promotie, vind je een betere baan, dus logisch dat je koopkracht het dan beter doet.”

Meestal blijft de koopkracht van ouderen dus redelijk gelijk, door een stabiel pensioen. Maar daar was de afgelopen jaren geen sprake van. “Tijdens de afgelopen crisis is dat anders, want al een paar jaar lang moeten ouderen koopkracht inleveren, doordat pensioenfondsen de pensioenen niet kunnen laten meestijgen met de inflatie.”

(…)

Armoede

De armoede onder ouderen bijvoorbeeld is sinds begin deze eeuw fors afgenomen. In 2000 waren er nog veel senioren met alleen AOW en zonder aanvullend pensioen. Veel vrouwelijke ouderen hadden toen nog maar weinig gewerkt of helemaal niet. “Er was nog veel armoede onder die groep”, zegt Van Mulligen. “Nu, vijftien jaar later, zijn armlastige 65-plussers steeds zeldzamer.”

In de groep van 40 tot 55 jaar nam de armoede juist fors toe. “Dat heeft vooral te maken met de laatste jaren, veel mensen raakten hun baan kwijt tijdens de crisis. Na de WW kom je dan in de bijstand en dan zit je al snel onder de armoedegrens.”

Onder jongeren tot 25 steeg het percentage armen zeer sterk, maar dat heeft er volgens Van Mulligen vooral mee te maken dat jongeren langer bleven studeren en daardoor minder verdienden.

Bron: NOS, 25 augustus 2016

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *