Grote gemeenten zijn blij met de nieuwe ministerspost voor armoedebeleid. Wethouders in verschillende gemeenten hebben al meer ervaring met deze portefeuille en hopen dat de minister armoedebeleid dat locaal succesvol is, overneemt.

Armoede komt vooral veel voor in de grote steden. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van het armoedebeleid, maar het kabinet wil er nu meer werk van maken. De komende vier jaar wil beoogd minister Carola Schouten, die vandaag langsgaat bij formateur Mark Rutte, het aantal kinderen in armoede halveren.

 

Coördinatierol

Michiel Grauss, wethouder armoedebestrijding in Rotterdam, is blij dat een minister zich straks specifiek met armoedebeleid bezighoudt. “We hebben in Rotterdam gezien dat het werkt om iemand de coördinatierol te geven.” In 2016 leefde een op de vier Rotterdamse kinderen in armoede, inmiddels is dat een op de zes.

Doordat iedere gemeente eigen armoedebeleid maakt, verschilt het per gemeente welke hulp beschikbaar is. Soms zijn die verschillen heel pijnlijk, vindt wethouder Grauss. “Een gezin heeft dan op de ene plek recht op 2000 euro meer dan drie kilometer verderop.”

 

Pauzeknop

Ook Amsterdam heeft een eigen armoedebeleid met specifieke maatregelen. Zo krijgen Amsterdammers met schuldhulpverlening geen rekeningen meer op de mat tot het probleem is opgelost. Dat neemt stress weg en voorkomt nieuwe moeilijkheden, zoals mentale problemen en baanverlies, zegt Marjolein Moorman, wethouder armoede in Amsterdam.

Zij hoopt dat Schouten deze ‘pauzeknop’ in heel Nederland invoert. “Dat is een manier om mensen snel uit de schulden en armoede te trekken.”

Ook de Rotterdamse wethouder Grauss ziet veel stress bij mensen die in armoede leven. “Daarom moet je als overheid stress-sensitief te werk gaan”, vindt hij. “Als mensen een rekening of boete niet betalen kun je een brief sturen, maar je kunt ook vragen wat ze van je nodig hebben.” De aanpak heeft succes: waar mensen met financiële problemen eerder vaak afhaakten bij schuldhulp van de gemeente, valt nu de helft minder af.

 

Leeuwarden

De Leeuwardense wethouder Hein Kuiken schat dat zo’n 20 procent van de inwoners van zijn gemeente moeite heeft om rond te komen. In sommige wijken is dat zelfs 50 procent. Om te voorkomen dat een nieuwe generatie in armoede opgroeit, is het beleid in de Friese hoofdstad vooral gericht op jonge kinderen.

“Voor volwassenen doen we helaas buitengewoon weinig”, zegt Kuiken. “We zouden als gemeente willen experimenteren met het kwijtschelden van schulden, zodat ze niet meer gebukt gaan onder die dagelijkse stress, maar weer kunnen werken aan hun toekomst.”

 

Bestaanszekerheid

Het nieuwe kabinet trekt 500 miljoen euro per jaar uit voor de hervorming van de arbeidsmarkt en de bestrijding van armoede en schulden. De wethouders hopen dat Schouten niet alleen bestaande armoede aanpakt, maar ook de bestaanszekerheid verhoogt om nieuwe armoede te voorkomen. Ze zijn bang dat het bedrag te laag is om de doelen te bereiken.

“Ze zal dus ook echt goed met haar collega’s moeten samenwerken om te voorkomen dat armoede ontstaat”, vindt Moorman. Haar Rotterdamse collega Grauss: “Mondzorg zit niet in het basispakket, dus daar moet ze over in gesprek met de minister van Volksgezondheid. Over boetes en incasso’s moet ze met Justitie en Veiligheid praten. Mijn advies is: doe het samen en ga er met het hele kabinet mee aan de slag.”

 

Armoede in Nederland

In Nederland wordt volgens het Armoedefonds gesproken van “absolute armoede” wanneer “mensen leven onder de lage-inkomensgrens en bijvoorbeeld niet beschikken over (gezond) voedsel, huisvesting, toegang tot gezondheidszorg (bijvoorbeeld een zorgverzekering) of geen mogelijkheden hebben om verder te leren na de verplichte schoolperiode”.

Armoede uit zich onder meer in (zeer) beperkte financiële middelen, sociale uitsluiting, gezondheidsproblematiek en beperkte toegang tot onderwijs, schrijft het fonds. Vooral eenoudergezinnen, mensen met een niet-westerse achtergrond, mensen in de bijstand en alleenstaanden onder de 65 jaar hebben kans op ernstige armoede.

Het CBS gebruikt een inkomensgrens om armoede af te bakenen: de lage-inkomensgrens. Die grens staat voor een vast koopkrachtbedrag en wordt jaarlijks gecorrigeerd voor de prijsontwikkeling, schrijft het CBS. Iets meer dan 900.000 mensen leefden in 2020 in een huishouden onder de lage-inkomensgrens, van wie 376.000 ten minste vier jaar achtereen, meldde het bureau vorige maand. Wel daalde het percentage huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens voor het zevende jaar op rij.

Voor een alleenstaande lag de lage-inkomensgrens in 2020 op 1100 euro netto per maand. Voor een stel zonder kinderen was het 1550 euro, met twee minderjarige kinderen 2110 euro en voor een eenoudergezin met twee minderjarige kinderen 1680 euro.

 

Lees het hele artikel op NOS.nl